Na tientallen jaren van ontwikkelingshulp hebben de traditionele donorlanden wereldwijd moeten constateren dat de tot nu toe geleverde hulp niet de gewenste effecten heeft gehad. Het door Nederland gesteunde beleid met de nadruk op gezondheidszorg en onderwijs heeft maar voor een deel tot resultaat geleid. Dit werd in januari 2010 bevestigd door het WRR rapport “Minder pretentie, meer ambitie”, waarin geadviseerd werd meer te focussen op een beperkt aantal landen en hulpactiviteiten. Een insteek die de VVD al langere tijd voorstaat. De uitkomsten van het rapport zijn binnen de politiek van links tot rechts omarmd.

Nieuwe aanpak
Na decennia van idealistisch, weinig realistisch ontwikkelingsbeleid (OS), zet de huidige regering in op resultaat.

Een aantal fundamentele keuzes zijn, op papier, inmiddels gemaakt:

  • Veiligheid en rechtsorde worden geïntegreerd centraal gesteld. Zonder veiligheid geen ontwikkeling, zonder ontwikkeling geen veiligheid. Ontbreekt één van beide, dan ontstaat een voedingsbodem voor corruptie, slecht bestuur en meer;
  • Prioriteit voor economische ontwikkeling op basis van particulier initiatief en samenwerking met NGO’s en kennisinstituten;
  • Keuze voor de inzet van Nederlandse kennis en expertise, met name op het gebied van watermanagement en voedselzekerheid;
  • SRGR (seksuele en reproductieve gezondheid en rechten) omvat veel waar juist liberalen voor staan: de positie van vrouwen in de samenleving, discriminatie op seksuele voorkeur tegengaan en verwante gezondheidsvraagstukken;
  • Focus op een kleiner aantal landen: Nederland gaat bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsrelaties aan met 15 landen (nu nog 33)


De VVD is blij met de beleidskeuzes van het kabinet
Toch is met dit beleid alléén de klus niet geklaard. Naast zorgvuldige doorvoering van de aangegeven veranderingen, verwacht de VVD-fractie een stevige inzet van de regering op de volgende terreinen:
  • Een aanpassing van de definitie van de ODA (Official Development Assistance)-criteria van de OESO. Nederland kan volgens deze ODA criteria alleen een beperkt aantal activiteiten tot officieel OS-beleid rekenen. De criteria zijn nodig aan aanpassing toe. Zo tellen rendabele investeringen niet als ODA, maar verliesgevende wel. En als een militair te pas komt (aan) bij het verlenen van hulp, is het ook al niet goed. Het aanpassen van de ODA-definitie staat in het regeerakkoord, maar is nog inzet van internationaal overleg.
  • Afstemming internationaal kan beter. Een aanzienlijk deel van het OS-budget wordt besteed via multilaterale kanalen en de EU. Multilateraal OS-beleid moet leaner and meaner: minder projecten en gerichtere inzet van geld. Hoe kan coördinatie op EU-niveau verbeteren? Hoe worden regionale best practices beloond?
  • Bij het aangaan of vernieuwen van een relatie met een partnerland zou van meet af aan gesproken moeten worden over een afbouw- en exit-traject. Daarvoor moeten duidelijke doelen gesteld worden, en de manier waarop deze bereikt gaan worden.

Ingrid de Caluwé
VVD Tweede Kamerlid
Woordvoerder OS